Hans G. Kresse (1921-1992)

[Portret van Hans Kresse]Hans Georg Kresse werd op 3 december 1921 in Amsterdam geboren. Zijn vader was violist bij het Concertgebouworkest, zijn moeder telefoniste.
Hij publiceerde voor het eerst in oktober 1938 in het maandblad De Verkenner. Dit prachtige blad was het orgaan van de padvinderij, waarvoor Kresse de verhalen Tarzan van de apen en De avonturen van Tom Texan schreef en tekende.
Toen Kresse in 1943 noodgedwongen onderdook, zocht hij zijn heil bij Marten Toonder's studio, waar tientallen onderduikers waren gehuisvest, die al of niet een potlood wisten te hanteren. Op de studio's kreeg Kresse de gelegenheid ongestoord zijn tekenvaardigheid te verbeteren. Zo werkte hij aan de eerste opzet van Robby, maakt een aantal proefafleveringen voor de strip Kappie en de eerste afleveringen van Eric de Noorman. Na de bevrijding bleef hij nog jaren voor Toonder werken. Onder de vlag van de studio's begon eind 1945 de strip Robby in het dagblad Trouw.

In 1946 verscheen Kresse's eerste verhaal over indianen. Het is de geschiedenis over het indiaantje Dahinda Nushka, de op zoek gaat naar de Gouden Dolk. Deze zal de volkeren tot elkaar brengen, zodat ze samen één worden tegen de binnenvallende blanken. In dit vrij onschuldige kinderboek toont Kresse al zijn voorliefde voor de indianen en kiest duidelijk hun zijde. In zijn latere carrière zou hij regelmatig verhalen, zoals Matho Tonga, Mangas Coloradas en De Indianenreeks, over indianen maken, waarin hij steeds weer de blanken veroordeelt.

[Eric de Noorman]Zijn loopbaan kreeg op 5 juli 1946 een andere wending, toen in het Vlaamse dagblad Het Laatste Nieuws De avonturen van Eric den Noorman eindelijk werden gepubliceerd. De jonge held werd snel populair en geliefd bij het Vlaamse publiek; het duurde echter tot november 1947 voordat hij ook in Nederland voet aan wal kon zetten, in het Tom Poes weekblad.
Eric bracht Kresse roem en rijkdom. Op het hoogtepunt van zijn roem werden er jaarlijks meer dan 300.000 boekjes verkocht.
Dat hoogtepunt lag in het begin van de jaren vijftig, toen hij, grafisch gezien, zijn beste episoden tekende. In die jaren maakte hij onvergetelijke verhalen als De heer der Heruli, De geschiedenis van Bor Khan en De Witte Raaf. Als we bedenken dat de originele stroken uit het laatst genoemde verhaal meer dan een halve meter lang zijn, is het verwonderlijk dat Kresse nog tijd vond voor andere stripverhalen en voor het tekenen van illustraties.

In eerste instantie illustreerde hij mondjesmaat, maar in de jaren vijftig en zestig legde hij zich hier steeds meer op toe. Al in 1953 maakte hij een aantal illustraties voor het weekblad Donald Duck en die bevielen blijkbaar, want tussen 1953 en 1965 maakte Kresse 1664 zwart-wit illustraties en 91 full-colour illustraties.

Hij illustreerde op den duur voor zoveel bladen tegelijk, dat hij nauwelijks tijd overhield voor Eric de Noorman. Als we de verhalen achter elkaar bekijken, zien we dan ook dat de tekeningen steeds schetsmatiger worden en minder gedetailleerd utgewerkt. Grafisch gezien waren ze zeer goed, maar de interesse van het publiek nam sterk af. In 1962 verscheen het laatste Eric-verhaal in de bekende oblongboekjes en op 24 januari 1964 zette Kresse een punt achter de belevenissen van Eric.

[Vidocq]Na een tijdje hoofdzakelijk illustraties te hebben gemaakt, werkte hij, in de tweede helft van de jaren zestig, voornameljk voor het weekblad Pep. Hij 'creëerde' voor dit blad Vidocq, tekende de avonturen van Zorro en illustreerde tientallen korte verhalen, waaronder een aantal van Arendsoog. Ook illustreerde hij eenendertig Arendsoog-boeken, waarmee hij in niet geringe mate bijdroeg aan de populariteit van deze serie.

In 1972 begon Kresse aan een project dat hem zeer na aan het hart lag: De Indianenreeks. Het was zijn bedoeling om in een groot aantal delen de geschiedenis van de noordamerikaanse indiaan, vanaf de eerste ontmoeting met de blanken, te vertellen aan de hand van een Apache-stam, de Faraons, Ondanks de knappe tekeningen en de schitterende inkleuring, bleef grote belangstelling van het publiek uit. Desondanks verschenen er tussen 1973 en 1982 negen albums, die in elf landen werden uitgebracht.

Begin jaren tachtig moest Kresse tot tweemaal toe aan zijn ogen worden geopereerd. Door een afwijking kon hij afstanden niet goed meer schatten en was daardoor, zoals hij zelf zei, eerder bij het papier dan hij dacht. Kort voor zijn operatie hield hij zich hoofdzakelijk bezig met illustreren. Toen het weer beter ging, werkte hij aan een revival van Vidocq en van Eric de Noorman.
In het begin van de jaren '90 werkte hij aan het tiende indianen-verhaal, de bewerking van het Eric de Noorman-verhaal Het offer van Svitjold en aan een nieuw epos over Dzjengis Khan. Geen van deze projecten heeft hij af mogen maken. Op 12 maart 1992 overleed hij.

In totaal maakte Kresse tijdens zijn lange loopbaan meer dan 1750 strippagina's, 5300 stripstroken, 3500 zwart-wit illustraties en 650 kleurenillustraties.

Deze pagina is een bewerking van een artikel uit Viking nr. 3/4 van mei 1992.

Eric de Noorman update

De reeks is nu compleet.